De Europese vennootschap na vijf jaar: top of flop?

Historie
30 jaar nadat het idee voor het eerst werd geopperd, heeft de Europese wetgever de Europese Vennootschap (SE) ingevoerd op 8 oktober 2001. Op 8 oktober 2004 trad deze regelgeving in werking en maakte het voor ondernemingen mogelijk om deze nieuwe entiteit aan te wenden om aldus activiteiten te verrichten in meer dan 1 lidstaat van de Europese Unie. De SE werd bij Koninklijk Besluit in de Belgische wetgeving geïmplementeerd op 1 september 2004.
Het invoeren van de SE kadert in het EU-initiatief om het ondernemingsrecht in de Europese Unie te moderniseren. De introductie van een eenheidsmarkt en het grensoverschrijdend te werk gaan van ondernemingen lag niet vervat in een gepast juridisch kader; er werd immers voornamelijk verwezen naar nationaal recht. Derhalve werd de SE opgericht om deze leegte, toch voor een deel alleszins, op te vullen.
Nu, na bijna zes jaar, heeft de Europese Commissie beslist om de praktische relevantie van de SE onder de loep te nemen en liet in dit verband een studie uitvoeren.

Korte herhaling
Een SE kan opgericht worden (i) via fusie, (ii) via een holding-SE, (iii) via een gemeenschappelijke dochter-SE, of (iv) via omzetting van een bestaande vennootschap in een SE, met een minimum kapitaal van 120.000 EUR (waarvan 61.500 EUR volstort moet zijn).
Het is echter niet mogelijk om een SE uit het niets op te richten. Dit kan verklaard worden door het feit dat een grensoverschrijdende, internationale dimensie vereist is. De meest typische vorm van oprichting van een SE is dan ook via fusie.
De SE-Verordening voorziet twee types van ondernemingsstructuur: een monistisch systeem (zijnde één enkel bestuursorgaan) en een dualistisch systeem (zijnde een leidinggevend en een toezichthoudend orgaan).
Naast de grensoverschrijdende fusie omhelst de SE nog een andere grote troef, met name de grensoverschrijdende zetelverplaatsing. Een SE kan immers haar zetel verplaatsen van de ene naar de ander lidstaat zonder dat dit aanleiding geeft tot de ontbinding van de SE in het land van emigratie en de oprichting van een nieuwe SE in het land van immigratie.
De werknemersparticipatie speelt ook een belangrijke rol bij de keuze voor een SE. Een SE kan enkel worden geregistreerd nadat er onderhandelingen zijn geweest met de werknemersafgevaardigden.
Zoals vermeld is het nationale recht ook van grote invloed op het statuut en de werking van de SE. Voor België zijn deze regelen nader gepreciseerd in het Wetboek van Vennootschappen (artikelen 874-948).

Bevindingen van de studie
Bijna 6 jaar na implementatie van de regelgeving is het duidelijk dat de SE-Verordening niet het verhoopte succes heeft. Bovendien verschilt het resultaat ook grondig naargelang de lidstaat.
De studie maakt duidelijk dat er verschillende drijfveren zijn om over te gaan tot het oprichten van een SE, met name: de uitstraling van een ‘Europees’ imago dat gepaard gaat met een SE, de mogelijkheid tot verplaatsing van een SE, de oprichting via grensoverschrijdende fusie. Aan de andere kant zijn er ook een aantal negatieve aspecten die het gering succes van de SE bepalen, met name: de kosten, de complexiteit en de onzekerheid over de SE en de inspraak van werknemers.
In totaal waren er op 15 april 2009, 369 SEs ingeschreven in 20 van de 30 EU/EER lidstaten. Het hoogste aantal geregistreerde SEs is in Tsjechië (137), gevolgd door Duitsland (91), Nederland (22), het Verenigd Koninkrijk (16) en Frankrijk (15). België heeft slechts 10 geregistreerde SEs.

Het SE Statuut wordt over het algemeen beschouwd als minder aantrekkelijk dan de nationale vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid omwille van de hogere vereisten bij oprichting van een SE (hoger minimum kapitaal, criteria en oprichtingsvereisten). Het SE Statuut brengt volgens de studie geen duidelijke toegevoegde waarde met zich mee die de complexe en bezwarende oprichtingsvereisten van de SE zou kunnen overtreffen.
De studie toont aan dat lidstaten met een hoog aantal SEs ook de lidstaten zijn met een grotere werknemersparticipatie (zoals daar zijn: Duitsland, Oostenrijk, Nederland, Tsjechië en Slowakije).
Bovendien zijn de lidstaten die traditioneel een dualistische ondernemingsstructuur kennen meestal ook de lidstaten die nationale regelgeving hanteren om vorm te geven aan werknemersparticipatie. Dit kan te wijten zijn aan het feit dat het monistisch systeem slecht aangepast is aan het systeem van werknemersparticipatie.
Op basis van de studie kunnen we concluderen dat de hoge verwachtingen niet werden ingelost. De eenheid in het ondernemingsrecht van de Europese Unie, wat het oorspronkelijke doel was, is nog ver zoek. De SE wijzigt haar kleur naargelang de lidstaat waar ze belandt. Er zijn evenveel soorten SEs als er lidstaten zijn. Dit is ver verwijderd van het initiële doel om economische en juridische eenheid in het ondernemingsleven van de Europese Unie te brengen en om te voorzien in een geharmoniseerde structuur van bestuur en toezicht. Er is nog een lange weg af te leggen.


Voor meer informatie, kunt u terecht bij:
Peter De Ryck (+32 2 787 90 20, peter.deryck@lydian.be)
Jane Murphy (+32 787 90 66, jane.murphy@lydian.be)